zoeken op deze pagina Aantekening toevoegen
200901458/2/R2 (Uitspraak RvS: 20 mei 2009)




Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak

Nr. 200901458/2/R2, Datum uitspraak: 20 mei 2009

Proceduresoort: Voorlopige voorziening, Rechtsgebied: Kamer 1 - RO - Noord-Brabant




Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
verweerder.




1. Procesverloop


Bij besluit van 23 december 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Alphen-Chaam (hierna: raad) bij besluit van 8 mei 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Ruimte voor Ruimte Landerij".


Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 februari 2009, beroep ingesteld.


Bij brief, bij de Raad van State ingekomen dezelfde datum, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.


De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 mei 2009, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, werkzaam bij Krijger Advies, is verschenen.


Voorts zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door mr. L.H.J. Verhoeven, ambtenaar in dienst van de gemeente en Ruimte voor Ruimte C.V., vertegenwoordigd door mr. E. Beele, advocaat te 's-Hertogenbosch, en mr. C. Swart en F. Vossen, als partij gehoord.




2. Overwegingen


2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.


2.2. Het plan biedt een planologische regeling voor de bouw van 41 vrijstaande woningen in Alphen in het kader van de Ruimte voor Ruimte regeling.


2.3. [verzoeker] betoogt enerzijds dat de woningbouw de (toekomstige) bedrijfsvoering van zijn intensieve veehouderij zal belemmeren en anderzijds dat ter plaatse van de voorziene woningen geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Naar de mening van [verzoeker] moet verder de door de raad vastgestelde geurverordening op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) onverbindend worden verklaard.


2.4. [verzoeker] exploiteert een intensieve veehouderij aan de [locatie 1] te [plaats], ten zuiden van het plangebied.


2.5. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van dit plan is voor de eerste fase van de woningbouw een procedure op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gestart. Van de in de eerste fase voorziene woningen, 22 in aantal, zijn er momenteel 21 gebouwd, waarmee, op één woning na, het gehele noordelijke gedeelte van het plan al is uitgevoerd. Tegen het besluit tot verlening van de bouwvergunning voor de enige resterende woning uit de eerste fase is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling. Op dit beroep, bij de Afdeling bekend onder no. 200807972/1, moet nog worden beslist.


Ter zitting heeft Ruimte voor Ruimte C.V. aangevoerd dat de kavels voor de resterende 19 woningen die zijn voorzien in het zuidelijk deel van het plangebied niet zullen worden ontwikkeld door een projectontwikkelaar, maar, na verkoop, zullen worden ontwikkeld door particuliere opdrachtgevers. Op dit moment is nog niet gestart met de verkoop van de kavels, aldus Ruimte voor Ruimte C.V.


2.6. Gelet op het voorgaande overweegt de voorzitter dat voor de 21 reeds gebouwde woningen uit de eerste fase een spoedeisend belang ontbreekt. Schorsing van het bestemmingsplan kan de bouw van deze woningen immers niet meer voorkomen. Voor de 19 voorziene woningen in het zuiden van het plangebied, is evenmin een spoedeisend belang aanwezig. De voorzitter neemt daarbij in aanmerking dat, blijkens het verhandelde ter zitting, nog geen bouwaanvragen voor deze woningen zijn ingediend. Daartoe zullen de kavels eerst verkocht moeten worden, waarna de kavels via particulier opdrachtgeverschap zullen worden ontwikkeld. Desgevraagd heeft de raad ter zitting aangegeven dat niet te verwachten is dat bouwaanvragen op korte termijn zullen worden ingediend.


2.7. Derhalve bestaat uitsluitend voor de enige resterende woning uit de eerste fase een spoedeisend belang. In dit verband overweegt de voorzitter dat uit de door [verzoeker] ingebrachte schetsmatige weergave van de geurcontour vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat deze woning binnen de geurcontour van zijn bedrijf zal worden gebouwd. Bovendien is voor de vraag of [verzoeker] wordt belemmerd in zijn bedrijfsvoering, dan wel of voor de woningen in het plangebied een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd niet zonder belang dat de woning aan de [locatie 2] op kortere afstand van het bedrijf van [verzoeker] is gelegen, dan de voorziene woningen in het plangebied. Gelet op het voorgaande heeft de voorzitter niet de verwachting dat de Afdeling in de bodemprocedure zal oordelen dat de bouw van de woning zal leiden tot een belemmering van de bedrijfsvoering van [verzoeker], dan wel dat ter plaatse van deze woning geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Het verzoek voor het overige komt daarom niet voor inwilliging in aanmerking. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




3. Beslissing


De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:


wijst het verzoek af.


Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van der Sluijs, ambtenaar van Staat.


w.g. Hoekstra, Voorzitter


w.g. Van der Sluijs, Ambtenaar van Staat




Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2009


461.








Deze uitspraak is afkomstig van www.raadvanstate.nl